Stichting Pensioenfonds ABP vanaf 01.01.1996

Alleen artikelen opgenomen in relatie tot scheiding en/of indexering.

Artikel 1 - Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen
a. aangesloten werkgever: een werkgever als bedoeld in artikel 2.2
b. ABP-wet: De Algemene burgerlijke pensioenwet
c. Amp-wet: De Algemene militaire pensioenwet
h. deelnemer: de deelnemer bedoeld in artikel 2.4.
l. fonds: De Stichting Pensioenfonds ABP
m. gepensioneeerde, degene die recht heeft op ouderdomspensioen ten laste van het fonds
n. gewezen deelnemer
p. nabestaande: 1. de partner
q. ontslag: elke beëindiging van het deelnemerschap
s. partner: de partner, bedoeld in artikel 1.4
u. PSW: De Pensioen- en spaarfondsenwet
w. WPA: de Wet privatisering ABP

Artikel 1.2 Deeltijdfactor

Artikel 1.3 Ontslaguitkering

Artikel 1.4 Partner
1. Onder partner wordt verstaan:
a. de echtgenoot van de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde
b. degene die door de ongehuwde deelnemer of gewezen deelnemer als partner is aangemeld bij het fonds en door het bestuur als zodanig is aangemerkt.

Noot PensioenScheiden 25.07.2022 22.00: In tegenstelling tot de Abp-wet is het begrip partner onder de Stichting Pensioenfonds ABP wel opgenomen.

Artikel 2 - Werkingssfeer, deelneming en aanspraken

Artikel 2.4 (Deelneming)
2.4.
1.Deelnemers zijn:
a. de werknemers;
c. de gewezen werknemers tot de eerste dag van de maand volgende op die waarin zij de leeftijd van 62 jaar hebben bereikt, indien zij, voor zolang dat recht is toegekend, recht hebben op een ontslaguitkering;
e. de gewezen werknemers vanaf de eerste dag van de maand volgende op die waarin zij de leeftijd van 62 jaar hebben bereikt, indien zij, voor zover dat recht is toegekend, recht hebben op een ontslaguitkering;
f. degenen die op grond van artikel 16.1, eerste lid, vrijwillig deelnemer in het fonds of op grond van artikel 16.1, tweede lid, de deelneming in het fonds vrijwillig voortzetten

2.4.2 Degene die voor 1 januari 1996 ambtenaar in de zin van de Abp-wet is geweest, wordt als deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde aangemerkt met inachtneming van hoofdstuk 18.
2.4.3 De in het eerste lid, onderdelen b en c bedoelde leeftijdsgebonden beperking van de deelneming geldt niet voor:
a. de gewezen werknemers die, voor zolang dat recht is toegekend, op 1 april 1997 recht hadden op een invaliditeitspensioen
b. de gewezen werknemers, die voor zolang dat recht is toegekend, op 1 april 1997 recht hadden op een ontslaguitkering
c. de gewezen werknemers die zouden hebben voldaan aan de voorwaarden voor het verkrijgen van het recht op een vut-uitkering indien hen met ingang van 1 april 1997 of een daarvoor gelegen tijdstip ontslag zou zijn verleend, mits zij, voor zoalng dat recht is toegekend, recht hebben op een invaliditeitspensioen;
d. de gewezen werknemers die zouden hebben voldaan aan de voorwaarden voor het verkrijgen van het recht op een vut-uitkering indien hen met ingang van 1 april 1997 of een daarvoor gelegen tijdstip ontslag zou zijn verleend, mits zij, voor zoalng dat recht is toegekend, recht hebben op een in de fpu-regeling bedoelde uitkering ten laste van de Stichting Vut-fonds Overheidspersoneel.

Artikel 2.5 Vermindering van aanspraken
2.5.2 - Aanspraken op ouderdomspensioen van de deelnemer of gewezen deelnemer en het recht op ouderdomspensioen van de gepensioneerde kunnen zonder toestemming van de partner bij overeenkomst tussen de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde en het fonds worden verminderd, uitsluitend indien:
a. er sprake is van afkoop als bedoel in de artikelen 11.1, 11.2 en 11.5;
b. de echtgenoten het recht op pensioenverevening ingevolge de Wet VPS hebben uitgesloten.
2.5.3 - Aanspraken op partnerpensioen ten behoeve van de partner van een deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde kunnen zonder toestemming van de partner bij overeenkomst tussen de deelnemer , gewezen deelnemer of gepensioneeerde en het fonds worden verminderd, uitsluitend indien er sprake is van afkoop als bedoeld in artikel 11.5.

Artikel 3 - Inkomen en berekeningsgrondslag
Artikel 3.1 Onder inkomen wordt verstaab het tot een jaarbedrag te herleiden vaste salaris dat op 1 januari van het desbetreffende jaar voor de deelnemer geldt vermeerderd met de vakantie-uitkering over dat salaris
Artikel 3.2 Tot het inkomen worden voorts gerekend de tot een jaarbedrag te herleiden vaste toeslagen (geen onkostenvergoedingen en ook niet de gemoetkoming inzake ziektekosten)

Artikel 4 - Pensioenpremie
Artikel 4.2 Premiegrondslag ouderdoms- en nabestaandenpensioen
4.2.1 - De premiegrondslag voor ouderdoms- en nabestaandenpensioen is het in artikel 3.1 bedoelde infkomen, verminderd met de franchise ter grootte van f. 26.500.

Verhaal van pensioenpremie
Artikel 4.7 De aangesloten werkgever kan een deel van de verschuldigde pensioenpremie op de deelnemer verhalen

Artikel 5 - Pensioengeldige tijd

5.1.1 - Als pensioengeldige tijd komt in aanmerking:
a. de tijd na het tijdstip van inwerkingtreding van dit reglement doorgebracht als deelnemer, bedoeld in artikel 2.4 .....
b. de tijd na het tijdstip van inwerkingtreding van dit reglement doorgebracht als dienstplichtige als bedoeld in artikel A 1, eerste lid, onderdeel f, van de Amp-wet ....
d. de tijd doorgebracht voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit reglement, bedoeld in artikel 18.1, met inachtneming van de correctiefactoren, bedoeld in artikel 18.2

Artikel 5.2 Verhoogde pensioenopbouw bij afzien recht op VUT

Artikel 5.2 1. Indien de deelnemer na een te verlenen ontslag zou voldoen aan de voorwaarden voor het verkrijgen van het recht op een uitkering ter zake van vrijwilig vervroegde uittreding, telt de periode gedurende welke hij geen gebruik heeft gemaakt van dit recht als volgt ee bij de berekening van de pensioengeldige diensttijd

Artikel 5a.3 Pensioenberekening
5a.3.3 - Het pensioen bedraagt jaarlijks het bedrag dat resulteert uit de vermenigvuldiging van 1,75% van de berekeningsgrondslag met de pensioengeldige tijd, welk bedrag wordt verminderd met 1,75% van de franchise vermenigvuldigd met de pensioengeldige tijd

6 Ouderdomspensioen

Artikel 6 - Recht op ouderdomspensioen
6.1.1 - De deelnemer en de gewezen deelnemer hebben recht op een ouderdomspensioen met ingang van de dag waarop de leeftijd van 65 jaar wordt bereikt, doch niet eerder dan vanaf het tijdstip van ingang van het ontslag uit de dienstverhouding
6.1.2 - In afwijking van het eerste lid heeft een deelnemer als bedoeld in artikel 2.4 eerste lid, onderdelen b en d, juncto artikel 2.4 derde lid, onderdelen a en c, recht op ouderdomspensioen met ingang van de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt
6.1.3 - Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de deelnemer die recht heeft op suppletie die eindigt op de eerste dag van de maand waarin hij hij de leeftijd van 65 jaar bereikt
6.1.4 - De fpu-gepensioeneerde heeft recht op ouderdomspensioen met ingang van de eerste dag van de maand volgen op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt.

Artikel 6.2 Berekeningsgrondslag
6.2.1 - Voor de vaststelling van het ouderdomspensioen geldt als berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 3.2 de berekeningsgrondslag die is vastgesteld voor het jaar voorafgaande aan het jaar vwaarin het ontslag heeft plaatsgevonden dan wel, indien na ontslag recht op een ontslaguitkering heeft bestaan, aam het jaar waarin de ontslaguitkering is beëindigd.

Artikel 6.3 Pensioenberekening
6.3.1 - Het pensioen wordt berekend over de pensioengeldige tijd, bedoeld in hoofdstuk 5
6.3.3 - Het pensioen bedraagt jaarlijks het bedrag dat resulteert uit de vermenigvuldiging van 1,75% van de berekeningsgrondslag met de pensioengeldige diensttijd, welk bedrag wordt verminderd met 1,75% van de franchise vermenigvuldigd met de pensioengeldige diensttijd.

Artikel 6.4 Pensioenverhoging bij lage grondslag
6.4.1 - Indien de berekeningsgrondlag niet hoger is danf 42.540,44, wordt het pensioen verhoogd met f 62 voor elk voor de berekening van dat pensioen geldend jaar

Art. 6.6 Vermindering ouderdomspensioen bij pensioenverevening
Indien recht op een bijzonder ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 6.7 is ontstaan, wordt de aanspraak op ouderdomspensioen, onderscheidenlijk de afkoopsom daarvan, danwel het ouderdomspensioen onvoorwaardelijk verminderd met het deel van het ouderdomspensioen dat in aanmerking is genomen bij de vaststelling van dat bijzonder ouderdomspensioen.

Artikel 6.7 Bijzonder ouderdomspensioen

Artikel 7 - Nabestaandenpensioen (recht op partnerpensioen)
7.1.1 - Na het overlijden van de deelnemer, gewezen deelnemer, fpu-gepensioneerde of gepensioneerde heeft diens partner met ingang van de dag volgende op het overlijden recht op een partnerpensioen.
7.1.2 - In afwijking van het eerste lid bestaat geen recht op een partnerpensioen indien:
a. indien het huwelijk is gesloten, de registratie van het partnerschap heeft plaatsgevonden op of na de dag waarop de deelnemer, de gewezen deelnemer of gepensioneerde de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
b. de pensioengeldige tijd van de overledene geheel is gelegen voor 1 januari 1996 en de aanmelding als partner heeft plaatsgevonden na het ontslag van de overledene.

Artikel 7.2 - Berekening partnerpensioen
7.2.1. Het pensioen van de partner bedraagt vijf zevende gedeelte van de aanspraak dan wel het recht op een ouderdomspensioen.
7.2.2 Indien de deelnemer overlijdt voor het einde van de maand waarin hij de leeftijd van 62 jaar heeft of zou hebben bereikt, wordt voor berekening van het pensioen zijn pensioengeldige tijd met toepassing van hoofdstuk 5 doorgeteld tot de eerste van de dag maand volgende op die waarin hij de leeftijd van 62 jaar heeft of zou hebben bereikt.
7.2.3 Indien de deelnemer behoort tot een van de categoriën als bedoeld in artikel 2.4 derde lid en zijn overlijden plaats vindt voor het einde van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft of zou hebben bereikt, wordt in afwijking van het tweede lid de pensioengeldige tijd doorgeteld tot de dag waarop het recht op ouderdomspensioen zou zijn ontstaan.
7.2.4 Indien bij een overlijden tevens aanspraak bestaat of zou hebben bestaan indien geen gebruik zou zijn gemaakt van de mogelijkheid van artikel 5 van de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding, op een of meer bijzondere partnerpensioenen als bedoeld in artikel 7.5 en 7.5a, wordt het partnerpensioen verminderd met die aanspraken voordat artikel 7.5, vierde lid, daarop wordt toegepast.
7.2.5 Een partnerpensioen wordt voorts verminderd, indien de partner meer dan 10 jaar jonger was dan de deelnemer, gewezen deelnemer, fpu gepensioneerde of gepensioneerde en het huwelijk, het geregistreerd partnerschap, of de aanmerking als partner op de dag van het overlijden nog geen 5 jaren heeft geduurd. De vermindering bedraagt 3% voor elk vol jaar dat het leeftijdsverschil meer dan 10 bedraagt.
7.2.6 Het vierde lid is niet van toepassing ten aanzien van de huwelijksvoltrekking , onderscheidelijk de aanmerking als partner die voor 1 januari 1996 heeft plaatsgevonden.
7.2.7 Indien een partner opnieuw in het huwelijk treedt, opnieuw als partner wordt geregistreerd, of opnieuw als partner wordt aangemerkt, wordt zijn pensioen opnieuw vastgesteld met ingang van de maand volgende op die waarin hij hertrouwt. Daarbij wordt van het ouderdomspensioen waarvan het partnerpensioen is afgeleid niet in aanmerking genomen, dat deel dat overeenkomt met de ingevolge het tweede lid doorgetelde pensioengeldige tijd die is gelegen na de datum van het overleden van de deelnemer.

Artikel 7.3 (samenloop partnerpensioenen)

Artikel 7.4 Toeslag
7.4.1 De partner die recht heeft op partnerpensioen en die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt. heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag ten bedrage van 15% van het volgens de artikelen 7.2 en 7.3 berekende pensioen.
7.4.2 Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de partner wiens partnerpensioen met toepassing van artikel 7.2, zesde lid, opnieuw is vastgesteld.
7.4.3 De toeslag, bedoeld in het eerste lid bedraagt niet meer dan 15% van hfl 63.551,27

Artikel 7.4a (Toeslag: compensatie indien geen recht op Anw)
7.4a.1 Indien ter zake van het overlijden van een deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde in de periode 1 juli 1996 tit en met 31 december 1998 recht op partnerpensioen, recht op bijzonder partnerpensioen krachtens dit reglement ontstaat, heeft de partner, gewezen partner die geen recht op niet langer recht heeft op een Anw nabestaandenuitkering recht op een toeslag voor die tijd gelegen na 1 januari 1996, die bij de berekening van zijn pensioen in aanmerking is genomen.

Artikel 7.4b

Artikel 7.5 Recht op Bijzonder partnerpensioen
7.5.1 - Indien het huwelijk, het geregistreerd partnerschap, of de aanmerking als partner anders dan door overlijden eindigt, verkrijgt de gewezen partner van de deelnemer, gewezen deelnemer, fpu-gepensioneerde of gepensioneerde een premievrije aanspraak op bijzonder partnerpensioen.
7.5.2 - De premievrije aanspraak, bedoeld in het eerste lid, bedraagt 5/7 gedeelte van de aanspraak op ouderdomspensioen van de deelnemer, gewezen deelnemer of fpu-gepensioneerde, met dien verstande dat voor de berekening van deze aanspraak op ouderdomspensioen:
a. slechts de pensioengeldige tijd meetelt die is gelegen voor het tijdstip waarop het huwelijk als partner is geëindigd
b. de berekeningsgrondslag .....

Artikel 7.6 (Recht op wezenpensioen)

Artikel 7.10 (overlijdensuitkering bij ouderdomspensioen)

Artikel 8 - Invaliditeitspensioen

Artikel 9 - Herplaatsingstoelage

Artikel 10.1 - Aanspraken bij tussentijds eindigen van de deelneming
10.1.1 - De gewezen deelnemer verkrijgt bij het eindigen van zijn deelneming anders dan door het ingaan van het flexibel pensioen, het ouderdomspensioen of door overlijden een premievrije aanspraak op flexibel pensioen, ouderdomspensioen, partnerpensioen en wezenpensioen.
10.1.2 - De premievrije aanspraak op flexibel pensioen of ouderdomspensioen wordt vastgesteld met inachtneming van hoofdstuk 5a onderscheidenlijk 6, met dien verstande dat voor de berekening:
a. wordt uitgegaan van de pensioengeldige tijd die is gelegen voor het tijdstip van het eindigen van de deelneming en
b. als berekeningsgrondslag in aanmerking wordt genomen de berekeningsgrondslag bedoeld in artikel 3.2, die is vastgesteld voor het jaar voorafgaande aan het jaar waarin de deelneming is geëindigd.
10.1.3 De premievrije aanspraken op partnerpensioen en wezenpensioen worden vastgesteld met inachtneming van hoofdstuk 7, met dien verstande dat deze worden afgeleid van de premievrije aanspraken op flexibel pensioen en ouderdomspensioen.

Artikel 11 - Waarde-overdracht/overname en uitkering ineens tot afkoop van pensioen

Artikel 12 - Indexatie
12.1.1 - De berekeningsgrondslag, bedoeld in de artikel 3.2, van een ingegaan pensioen dan wel een aanspraak op pensioen van een gewezen deelnemer dan wel een gewezen partner wordt aangepast overeenkomstig de algemene bezoldigingswijziging van het overheidspersoneel teneinde een aan die bezoldigingswijziging evenredige aanpassing van de pensioenen te bewerkstelligen, tenzij de financiële positie van het fonds zich dwingend tegen die aanpssing verzet.

Artikel 13 - Toekenning , einde en betaling pensioen

Artikel 14 - Berichtgeving en inlichtingen
14.1.3 - Jaarlijks wordt aan de deelnemer een opgave van de opgebouwde aanspraak en het volgens het reglement te bereiken pensioen verstrekt.
14.1.5 - Onverminderd het derde en vierd lid wordt op schriftelijk verzoek van de deelnemer of gewezen deelnemer binnen drie maanden een opgave van de hoogte van de opgebouwde aanspraak verstrekt. Het bestuur kan de kosten die verbonden zijn aan vorenbedoelde opgave ten laste van de verzoeker brengen.
14.1.6 - Aan degene die ingevolge artikel 7.5 aanspraak verkrijgt op bijzonder partnerpensioen, wordt een opgave van deze aanspraak verstrekt.

Noot PensioenScheiden 30.07.2022: Vermeld staat dat de opgave jaarlijks verstrekt wordt. Als je een willekeurige opgave opvraagt van bijvoorbeel 1 januari 1996 bij het ABP kunnen ze deze niet overleggen. Je zou verwachten dat in MijnABP alle verstrekte opgaven terug kan lezen. Ook dat is niet het geval.

Artikel 15 - Sanctiebepalingen

Artikel 18 - Overgangsrecht in verband met de privatisering

18.1 Pensioengeldige tijd voor 1 januari 1996

18.2 Omrekening aanspraken ouderdomspensioen algemeen
18.2.1 - De op 31 december 1995 bestaande pensioenaanspraak van een deelnemer, berekend volgens de bepalingen van de Abp-wet, worden per die datum omgerekend naar gelijkwaardige aanspraken volgens de bepalingen van dit reglement.
18.2.5 - De correctiefactoren, bedoeld in het tweede en derde lid, worden vastgesteld overeenkomstig bijlage f. Van de aldus vastgestelde correctiefactoren wordt mededeling gedaan aan de belanghebbende, welke mededeling is voorzien van een toereikende toelichting.

Noot PS 17.04.2021 10.50: Wat is de achterliggende oorzaak dat de aanspraken per 31.12.1995 omgerekend moesten worden naar gelijkwaardige aanspraken per 01.01.1996? Een eindloonregeling voor 01.01.1996 is toch niet essentieel anders?

18.3 Omrekening ten aanzien van de gewezen ambtenaar en degene die een ouderdomspensioen of een nabestaandenpensioen geniet ingevolge de Abp-wet
18.3.1 - Artikel 18.2 is van overeenkomstige toepassing op het uitzicht, onderscheidelijk het recht op pensioen op 31 december 1995 ingevolde de Abp-wet, met dien verstande dat de aanspraak, onderscheidenlijk het recht in afwijking van artikel A, eerste lid, van bijlage f, wordt berekend met toepassing van de aangepaste middelsom volgens de Abp-wet.
18.3.2 - Indien er sprake is van meer dan een tijdvak wordt de aanspraak, onderscheidenlijk het recht nader vastgesteld met inachtneming van de aangepaste middelsom van het laatste tijdvak.

18.19 Nabestaandenpensioen
Noot PS 17.04.2021 11.03: De strekking van dit artikel houdt in dat als na de omrekening per 31 december 1995 het nabestaandenpensioen verminderd zou zijn, een toeslag verleend wordt ter grootte van die vermindering.

18.20 Bijzonder Nabestaandenpensioen
18.20.1 Het uitzicht op een Bijzonder Nabestaandenpenisoen dat de gewezen echtgenoot van de ambtenaar, gewezen ambtenaar of gepensioneerde ambtenaar op 31 december 1995 heeft ingevolge de Abp-wet wordt nader vastgesteld met inachtneming van hoofdstuk 7 en 18 van dit reglement.
18.20.2 Artikel 18.19 eerst, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het uitzicht op een bijzonder nabestaandenpensioen dat de gewezen echtgenoot van de ambtenaar, gewezen ambtenaar of van de gepensioneerde ambtenaar op 31 december 1995 heeft ingevolgw sw Abp-wet.
18.20.3 In afwijking van het eerste en tweede lid geldt dat het uitzicht dat de gewezen echtgenoot van de ambtenaar die zijn dienstverhouding wwaraan hij het ambtenaarschap ingevolgde de Abp-wet ontleende na 31 december 1995 voortzet, op 31 december 1995 heeft ingevolgde de Abp-wet. wordt bepaald met inachtneming van de berekeningsgrondslag van het jaar 1995

Noot PensioenScheiden 25.07.2022 14.25: Zie o.a. mijn brief aan het ABP van 12.01.2022 en de reactie van het ABP met haar brief van
22 april 2022
. In de Abp-wet werd het begrip Bijzonder Nabestaandenpensioen gehanteerd voor het nabestaandenpensioen van een samenwonende deelnemer. Door het door elkaar heenhalen van het Bijzonder Nabestaandenpensioen voor een samenwonende deelnemer en wat onder de Pensioen- en Spaarfondsenwet onder een Bijzonder Nabestaandenpensioen verstaan werd, namenlijk de omzetting van het nabestaandenpensioen als gevolg van een scheiding, heeft bij de privatisering van het ABP geleid tot een grove fout. De juristen bij het ABP verantwoordelijk voor de aanmaak van het Pensioenreglement ABP en de daarmee samenhangende overgangsbepalingen waren kennelijk niet op de hoogte van de begripsverwarring in de Abp-wet. In feite had hier sprake moeten zijn van de overgangsbepalingen voor de samenwonende deelnemers in het ABP. De overgangsbepaling voor deze groep ontbreekt nu volledig.
Als gevolg van deze vergissing zijn alle Bijzonder Nabestaandenpensioenen ontstaan na 27 november 1981 in één keer aangepast aan de berekeningsgrondslag voor 1995. Te gek voor woorden!

Noot PS 17.04.2021 11.05: De strekking van dit artikel houdt in dat als na de omrekening per 31 december 1995 het bijzonder nabestaandenpensioen verminderd zou zijn, een toeslag verleend wordt ter grootte van die vermindering.

Bijlage a, behorende bij de artikelen 2.2 en 2.3 van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP
a.1 Noot PS 17.04.2021 11.11: Omschreven wie er allemaal overheidswerknemers zijn en wie niet!

Bijlage f - Bepaling correctiefactoren algemeen

Terug naar: PensioenScheiden of Pensioenweetjes

Laatstelijk aangepast: 30 juli 2022

 

 

 

Artikel H1.1 Het pensioen van de nabestaande van een ambtenaar bedraagt 5/7 van het pensioen waarop de ambtenaar recht of uitzicht zou hebben gehad

Van Tot Overlijden voor 65 Overlijden Na 65
  01.01.2004 5/7 van het OP 5/7 van het OP
01.01.2004 01.01.2006 5/7 van het OP 5/14 van het OP
01.01.2006 01.01.2015 5/10 van het OP 5/14 van het OP
    Overlijden voor 67 Overlijden na 67
01.01.2015 01.01.2016 5/10 van het OP 5/10 van het OP
01.01.2016 01.01.2018 5/10 van het OP 70% van het OP
    Ongeacht moment overl. Ongeacht moment overl.
01.01.2018   70% van het OP 70% van het OP

Premiebijdrage:

1981 - 21%
1982 - 18,7% (Stb. 607, 1985)
1983 - 18,7%
1984 - 16,9% (Stb 91, 1986)
1985 - 14,4% (stb 88, 89, 90, 92, 1986)
1986 - 12,5% (stb 323, 1989)
1987 - 11,6% (Stb.323, 1989)
1988 - 09,7% (Stb.365, 1991)
1993 - 08,8%
1994 - Pensioenbijdrage wordt berekend volgens het synthesemodel
2018 - 22,9%

Noot PS De verlagingen van de afdrachten aan het ABP waren voornamelijk bedoeld om het financieringstekort van de Staat terug te dringen.

2017.03.14 Brief ABP aan P.G.J. Jung
Pensioenaanspraken die in het verleden vóór het jaar 2014, zijn gecommuniceerd hadden pensioenrichtleeftijd 65
Deze worden ieder jaar actuarieel verhoogd naar de dan geldende pensioenrichtleeftijd
Bij ABP geldt voor 2017, een pensioenrichtleeftijd van 67 jaar en 3 maanden (hier hoort een factor bij van 1,139)

ABP Omrekeningsfactoren:

Pensioenrekenleeftijd: met ingang van 01.01.2014 is de rekenleeftijd verhoogd van 65 naar 67 jaar.

Verhogingsfactoren 2014:
Van 65 naar 67 - 1.139
Van 65 naar 68 - 1,212

2016: van 65 naar 67 - 1,15
2017: van 65 naar 67 - 1,139
Pensioenjaar 2017 -
2017: van 67 naar 65,5 - 0,912
2019: van 65 naar 68 - 1,212
2019: van 65 naar 67 - 1,139 van 67 naar 64,25 - 0,835