Algemene burgerlijke pensioenwet (tot 01.01.1996, laatstelijk gewijzigd 21.12.1995)

Algemene bepalingen:
b. - bestuur: het bestuur bedoeld in atikel L2
d. - orgaan: ieder gezag of bestuur dat voor een lichaam deze wet uitvoert
l. - nabestaande: de man of vrouw waarmee de overleden ambtenaar, gewezen ambtenaar of gepensioneeerd ambtenaar op de dag van overlijden gehuwd was, dan wel die door hem was aangemeld.

Noot PensioenScheiden 25.07.2022 22.30: l. Eerst ingevoegd bij de wet van 21 december 1995 (Stb 638), m.i.v. 1 juli 1994.

Pensioen en aanvulling
Artikel A 2 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder pensioen verstaan elk pensioen dat is toegekend krachtens deze wet, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt
Artikel A 2. 2. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden onder pensioen tevens begrepen de aanvulling bedoeld in artikel F 8f, de verhogingen van het pensioen bedoeld in de artikelen F 7b en F 9b en de toeslagen bedoeld in de artikelen F 7c, F 9a, H 3a, H 3b, H 7a, H9a en H 9b

Bijzonder nabestaandenpensioen (ingevoegd bij de wet van 21 december 1995 (Stb. 638) m.i.v. 1 juli 1994
Artikel A5.1 De ambtenaar kan één man of vrouw aanmelden bij het fonds indien:
a. hij en deze man of vrouw beiden als ingezetene met hetzelfde woonadres in de GBA persoonsgegevens zijn ingeschreven, van welke gegevens hij een gewaarmerkt afschrift dient te overleggen
b. uit een notarieel samenleveingscontract blijkt dat hij en deze man of vrouw zich tegenover elkaar verplicht hebben om over en weer bij te dragen in de kosten van levensonderhoud, van welk contract hij een kopie dient te overleggen dan wel een verklaring van een notaris .....

Artikel A6. De bepalingen van deze wet voor het nabestaandenpensioen zijn van overeenkomstige toepassing op het bijzonder nabestaandenpensioen, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt.

Noot PensioenScheiden 25.07.2022 22.45: In feite wordt hier aangegeven dat onder de Abp-wet met de term Bijzonder nabestaandenpensioen bedoeld wordt dat hier sprake is van een nabestaandenpensioen voor samenwonenden die een notarieel samenlevingscontract overlegd hebben.

Noot PensioenScheiden 31.07.2022 14.30: De teksten van dit pensioenreglement zijn ontleend aan de laatste versie die ik van het ABP ontvangen heb. Uit de vele wijzigingen die op het laatste moment in de Abp-wet zijn opgenomen blijkt dat sprake is geweest van één grote begripsverwarring m.b.t. het Bijzonder Nabestaandenpensioen. Dat blijkt al uit artikel A 5.1. Aan de term Bijzonder Nabestaandenpensioen wordt in één keer een heel andere betekenis gegeven. Uit het totaal kan ik niet anders concluderen dan dat het ABP als gevolg van deze begripsverwarring flink de mist is ingegaan, door met terugwerkende kracht tot 27 november 1981 ten onrechte alle Bijzondere Nabestaandenpensioen aangepast te hebben, niet alleen op de algemene bezoldigingswijzigingen , maar ook met alle carrierestijgingen tot ultimo 1995.

Hoofdstuk A blz 5 Algemene bepalingen

1a - Deeltijdbetrekkingen: Voor de toepassingvan het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder deeltijdbetrekking een betrekking ingevolge aanstelling of indienstneming op arbeidsvereenkomst naar burgerlijk recht, die minder uren omvat dan gebruikelijk is voor de gelijksoortige volledige betrekking(ingevoegd bij de wet van 03.07.1986 m.i.v. 01.01.1986)
2 - De omvang van een deeltijdbetrekking als bedoel in het eerste lid wordt aangegeven door de deeltijdfactor. De deeltijdfactor is een breuk waarvan de noemer wordt gevormd door het bedrag van het salaris dat in het toepasselijke systeemj zou gelden bij volledige werktijd, zonodig vastgesteld op grond van functuewaardering, en de teller door het bedrag van het feitelijk genoten salaris
5 - De ambtenaar kan één man of vrouw aanmelden bij het fonds indien:
a. hij en deze man of vrouw beiden als ingezetene met hetzelfde woonadres in de GBA zijn ingeschreven b. een notarieel samenlevingscontract overleggen c. geen van beiden gehuwd is
6. De bepalingen van deze wet voor het nabestaandenpensioen zijn van overeenkomstige toepassing op het bijzonder nabestaandenpensioen, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt.

Aanpassing pensioenen aan algemene bezoldigingswijzigingen

Artikel A 8.1 De middelsommen van berekeningsgrondslagen, bedoeld in artikel F6, behorende bij een ingegaan pensioen dan wel een uitzicht op pensioen, worden telkens gewijzigd overeenkomstig een algemene bezoldigingswijziging, ten einde een aan die algemene bezoldigingswijziging evenredige aanpassing van de pensioenen te bewerkstelligen.
Artikel A 8.2. - Indien de salarissen van het overheidspersoneel en van het personeel in dienst van de lichamen, bedoeld in artikel B 2, een wijziging ondergaan, bepaalt onze Minister, in overeenstemming met de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken, de algemene bezoldigingswijziging en de datum waarop deze ingaat.

Noot PensioenScheiden 31.07.2022 14.00: In de Abp-wet wordt alleen gesproken over de initële salarisverhogingen, dus niet over de verhoging van het salaris als gevolg van een carriere stijging.

Hoofdstuk B blz 10 Ambtenaarschap

Ambtenaarschap wachtgelders

Artikel B6.1 Hij, aan wie uit hoofde van ontslag uit een dienstverhouding, waarin hij ambtenaar is, wachtgeld is toegekend, blijft ambtenaar zolang het recht op wachtgeld duurt. De artikelen B10 en B11 zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk C Ambtelijk inkomen (Bijdrage en Verhaal)

Artikel C1 - Ambtelijk inkomen in de zin van deze wet omvat alle inkomsten in geld die een ambtenaar ter zake van zijn dienstverhouding ontvangt met uitzondering van (o.a.):
d. gratificaties
g. de uitkering krachtens de Interimregeling ziektekosten
h. tantiemes
i. die, welke strekken tot vergoeding wegens diensten die buiten de voor de ambtenaar vastgestelde werktijd zijn verricht (overwerk!)

Bijdragegrondslag
Art. C2.1 - Elk ambtelijk inkomen dat een ambtenaar in een uitbetalingstermijn heeft ontvangen of geacht wordt te hebben ontvangen vormt een bijdragegrondslag over die termijn. Onder uitbetalingstermijn wordt verstaan een periode van een maand of vier weken, waarin het ambtelijk inkomen is ontvangen of geacht wordt te zijn ontvangen. De jaarlijkse vakantietoeslag maakt deel uit van de bijdragegrondslag over de laatste betalingstermijn van de periode, waarop die uitkering betrekking heeft. De bijdragegrondslag over een jaar wordt gevormd door de som van de bijdragegrondslagen over de uitbetalingstermijnen in dat jaar.
Art. C2.3 - Ieder orgaan doet zo spoedig mogelijk na het verstrijken van elke uitbetalingstermijn, doch uiterlijk voor het einde van de maand volgende op die termijn, aan het bestuur der dienstverhouding, onderscheidelijk per wachtgelder, gespecificeerd opgave van de bijdragegrondslag over bedoelde termijn en zonodig van de voor die termijn geldende deeltijdfactor.
Art. C2.4 - Het bestuur kan ambsthalve een bijdragegrondslag vaststellen, wijzigen of intrekken. Het bestuur stelt het orgaan hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennis.

Pensioenbijdragen ABP-wet 1981-1994
Art. C3.1 - Ieder lichaam is pensioenbijdrage verschuldigd voor iedere in zijn dienst zijnde ambtenaar die de leeftijd van 25 jaar heeft bereikt of zal bereiken in de uitbetalingstermijn waarop de bijdragegrondslag bedoeld in het tweede lid betrekking heeft.
Art. C3.2 - De pensioenbijdrage bedraagt 21,5% van de bijdragegrondslag. In afwijking van de eerste volzin bedraagt de pensioenbijdrage over een bijdragegrondslag betreffende een deeltijdbetrekking het daar genoemde percentage vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.
Art. C3.3 - Indien een actuariële balans als bedoeld in artikel L.12 daartoe aanleiding geeft, wordt het percentage van de pensioenbijdrage bij de wet gewijzigd met ingang van een daarbij te bepalen datum, die niet mag voorafgaan aan de balansdatum.

Betaling pensioenbijdrage
Art. C4.1 - Ieder orgaan betaalt aan het fonds voor het einde van de maand volgende op een uitbetalingstermijn de op die termijn betrekking hebbende pensioenbijdrage.

Bijdrageverhaal op ambtenaar
Art. C7.1 - Het orgaan houdt volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regelen op de inkomsten van de ambtenaar een bedrag in als verhaal van de aan het fonds te betalen pensioenbijdrage

1981 - 21%
1982 - 18,7% (Stb. 607, 1985)
1983 - 18,7%
1984 - 16,9% (Stb 91, 1986)
1985 - 14,4% (stb 88, 89, 90, 92, 1986)
1986 - 12,5% (stb 323, 1989)
1987 - 11,6% (Stb.323, 1989)
1988 - 09,7% (Stb.365, 1991)
1993 - 08,8%
1994 - Pensioenbijdrage wordt berekend volgens het synthesemodel
2018 - 22,9%

Noot PS - De verlagingen van de afdrachten aan het ABP waren voornamelijk bedoeld om het financieringstekort van de Staat terug te dringen.

Hoofdstuk D Diensttijd

Artikel D 1. 1 In aanmerking komende diensttijd
Als diensttijd komt in aanmerking de tijd na het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet doorgebracht als ambtenaar

Noot PensioenScheiden 07.08.2022 15.25: In de Abp-wet zoals deze er na de wijziging per 01.07.1989 stond echter het volgende: Artikel D 1. -3 In afwijking van het eerste en tweede lid komt niet als diensttijd in aanmerking de tijd gelegen voor de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de leetijd van 25 jaar heeft bereikt

Hoofdstuk D blz 20 Diensttijd
Als diensttijd komt in aanmerking de tijd:
a. doorgebracht als ambtenaar
b. in de zin van de Algemene Militaire Pensioenwet ( als dienstplichtige als bedoeld in artikel A1)
c. doorgebracht als deelgenoot in de zin van de SpoorwegPensioenwet
d. doorgebracht in een betrekking in de Nederlandse Antillen of Aruba
e. doorgebracht in kerkelijke betrekkingen


Artikel D2.1 Tijd bedoeld in artikel D1, tweede lid, komt slechts als diensttijd in aanmerking, indien belanghebbende dit aan het bestuur heeft verzocht mits:
a. deze tijd aansluitend dan wel met een onderbreking van niet langer dan een jaar wordt gevolgd door tijd als bedoeld in artikel D1, eerste lid en c. de berekeningsgrondslag als bedoeld in artikel F4 ........


Noot PS 07.01.2022 13.20: Het is dus niet vanzelfsprekend dat militaire diensttijd meegenomen wordt voor berekening van het totale ouderdomspensioen. Daar dient dus daadwerkelijk om verzocht te worden!

Deeltijd

Artikel D3 Diensttijd doorgebracht in een deeltijdbetrekking telt mede voor het gedeelte dat wordt uitgedrukt door de deeltijdfactor

Artikel D 5 - Van de diensttijd die krachtens artikel D1, tweede lid, onde a, in aanmerking komt telt dubbel mede de tijd, ten aanzien waarvan dit door Ons op grond van artikel D4 van de Algemene militaire pensioenwet voor de toepassing van die wet is bepaald.

Hoofdstuk E Het recht op ambtenarenpensioen

Artikel E 1 - De ambtenaar heeft na zijn ontslag recht op pensioen, indien hij op het tijdstip van ingang van het ontslag:
a. hetzij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt (ouderdomspensioen)
b. hetzij uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend ongeschikt is zijn betrekking te vervullen

Noot PS 07.02.2022 13.30: Niet vermeld wordt de ambtenaar die gewoon uit dienst treedt voordat hij de 65-jarige leeftijd bereikt heeft.

Uitzicht op ouderdomspensioen

Artikel E3.1 Degene die op het tijdstip waarop hij de hoedanigheid van ambtenaar verliest, aan geen van de in artikel E1, eerste lid, gestelde voorwaarden voldoet, verkrijgt uitzicht op ouderdomspensioen bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Dit uizicht vervalt wanneer hij weer ambtenaar wordt.
Artikel E3.2 Het uitzicht op ouderdomspensioen gaat bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar over in het recht op ouderdomspensioen

Artikel E4. Waar in de bepalingen van deze wet sprake is van ontslag, wordt daarmee bedoeld elke beëindiging van het ambtenaarschap, tenzij uit een desbetreffende bepaling het tegendeel blijkt.

Hoofdstuk F blz 27 Berekening van het ambtenarenpensioen

Artikel F1 - Onder dienstlijn verstaat deze wet de diensttijd doorgebracht in een of meer dienstverhoudingen, al dan niet gelijktijdig, waarover pensioen wordt berekend naar dezelfde middelsom van berekeningsgrondslagen als bedoeld in artikel F6 (eindloon)
Artikel F1.3 - In afwijking van het tweede lid worden als afzonderlijke dienstlijnen beschouwd:
a. de diensttijd doorgebracht in dezelfde dienstverhouding na verhoging van de berekeningsgrondslag met meer dan 25% dan wel de diensttijd doorgebracht in een nieuwe dienstverhouding waarin de eerste berekeningsgrondslag meer dan 25% hoger is dan de laatstelijk vastgestelde berekeningsgrondslag, onderscheidenlijk de hoogste van de laatstelijk vastgestelde berekeningsgrondslagen, in de dienstlijn die bestond bij de aanvang van de nieuwe dienstverhouding;
b. de diensttijd doorgebracht in dezelfde dienstverhouding na verlaging van de berekeningsgrondslag met meer dan 5% dan wel de diensttijd doorgebracht in een nieuwe dienstverhouding waarin de eerste berekeningsgrondslag meer dan 5% lager is dan de laatstelijk vastgestelde berekeningsgrondslag, onderscheidenlijk de laagste van de laatstelijk vastgestelde berekeningsgrondslagen, in de dienstlijn die bestond bij de aanvang van de nieuwe dienstverhouding;
Artikel F1.4 - Het derde lid, onder b, wordt slechts toegepast op verzoek aan het bestuur, bij of na de aanvraag van het pensioen gedaan door of namens belanghebbende. Indien het verzoek is ingediend na aanvraag van het pensioen, wordt het derde lid, onder b, slechts toegepast met ingang van een tijdstip niet vroeger dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin het verzoek door het bestuur is ontvangen.

Artikel F1a.1 Wanneer diensttijd voor 1 januari 1986 samen met diensttijd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995 ingevolge artikel F1 één dienstlijn zou vormen, worden de diensttijden in afwijking van dat artikel beschouwd als afzonderlijke dienstlijnen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien diensttijd tussen 31 december 1995 en
1 januari 1995 samen met diensttijd na 31 december 1994 één dienstlijn zou vormen.

Artikel F3.1 - Bij de pensioenberekening telt niet mede de diensttijd waarover reeds pensioen dan wel onderstaand bij wijze van pensioen is toegekend ten laste van:
a. Nederland b. De Nederlandse Antillen of Aruba c. de Republiek Suriname d. de Republiek Indonesië

Artikel F4 1a De berekeningsgrondslag voor enig jaar in een dienstverhouding is het bedrag aan ambtelijk inkomen bedoeld in artikel C1.

Artikel F6.1 Het pensioen wordt berekend over één of meer dienstlijnen naar de middelsom van berekeningsgrondslagen voor iedere dienstlijn afzonderlijk. Indien voor een dienstlijn twee of meer middelsommen kunnen worden vastgesteld als gevolg van samenloop van dienstverhoudingen, geldt slechts de hoogste middelsom voor de gehele dienstlijn.

Artikel F6.2 De middelsom van bekeningsgrondslagen voor een dienstlijn is het gemiddelde van de op één na laatste twee berekeningsgrondslagen. Indien slechts twee berekenings-grondslagen kunnen worden vastgesteld geldt als middelsom de op één na laatste berekeningsgrondslag.

Artikel F6.3 De aldus verkregen middelsom, wordt of, indien het pensioen over meer dan een dienstlijn moet worden berekend, middelsommen worden, aangepast naar de regelen vastgesteld bij de algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel A8.

Artikel F7.1 Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen over diensttijd voor 1 januari 1986.

Artikel F7.2 Indien het pensioen over één dienstlijn wordt berekend bedraagt het jaarlijks voor elk dienstjaar, tot een maximum van 40 jaren, 1,75% van de middelsom van berekeningsgrondslagen met dien verstande dat, indien de middelsom niet hoger is dan hfl 39.660.- genoemd % 2 bedraagt over de eerste hfl 22.026. Indien de middelsom hoger is dan hfl 39.660,- bedraagt het pensioen niet minder bij toepassing van het bepaalde in de eerste volzin bij een middelsom van hfl 39.660,-. Evengenoemde bedragen worden door Ons gewijzigd bij de algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel A 8.

Artikel F7a.1 Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen over diensttijd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995.

Artikel F7a.2 Het pensioen wordt berekend over de pensioengrondslag. De pensioen-grondslag wordt gevormd door de middelsom van de berekeningsgrondslagen bedoeld in artikel F6 te verminderen met een bedrag als omschreven in het derde lid (de franchise).

Artikel F7a.3 De franchise bedoeld in het tweede lid bedraagt
a. voor de gepensioneerde ambtenaar die voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als gehuwd wordt aangemerkt 20/7 x het bedrag waarop hij volgens die wet recht gehad zou hebben
b. voor de gepensioneerde ambtenaar die voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als ongehuwd wordt aangemerkt 10/7 x het bedrag waarop hij volgens die wet recht gehad zou hebben

Artikel F7a.4 In de in het 3e lid bedoelde bedragen is mede begrepen de bruto vakantie-uitkering waarop ingevolgde de AOW recht bestaat


Noot PS 07.01.2022 13.44: Bovenstaande impliceert dat tot 1 januari 1986 nimmer rekening gehouden is met een franchise!

 

Artikel F7a.5 Wanneer de in het 3e lid bedoelde bedragen worden gewijzigd, wordt de pensioengrondslag herberekend

Artikel F7a.6 Indien het pensioen over een dienstlijn wordt berekend, bedraagt het jaarlijks voor elk dienstjaar tot een maximum van 40 voor pensioen tellende jaren
1,75 % van de pensioengrondslag

Artikel F7a.7 Indien over meer dan één dienstlijn pensioen wordt berekend, geschiedt dit voor elke dienstlijn afzonderlijk overeenkomstig het 6e lid. Wanneer de som van voor pensioen tellende jaren meer bedraagt dan 40, worden tot een totaal van 40 die dienstlijnen in aanmerking genomen die tezamen het hoogste pensioenbedrag opleveren.

Artikel F7aa.1 Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen over diensttijd na 31 december 1994.

Artikel F7aa.2 Het pensioen wordt berekend over de pensioengrondslag. De pensioengrondslag wordt gevormd door de middelsom van berekeningsgrondslagen, bedoeld in artikel F6, verminderd met een bedrag van fhl 26.500,-.

Artikel F7aa.3 Het in het tweede lid genoemde franchisebedrag kan door Onze Minister worden gewijzigd en nader worden vastgesteld op een veelvoud van hfl 100,- indien het bedrag van het ouderdomspensioen ingevolge de AOW voor degene die voor de toepassing van die wet als gehuwd wordt aangemerkt wijzigt

Hoofstuk G Het recht op nabestaanden- en wezenpensioen

Artikel G2. Geen recht op nabestaandenpensioen bestaat indien het huwelijk was gesloten nadat het ontslag van de echtgenoot was ingegaan, tenzij:
a. de echtgenoot recht had op periodieke uitkering wegens ontslag uit een betrekking voor het vervullen waarvan een reglementaire leeftijdsgrens geldt die lager is dan 65 jaar en als rechthebbende op zodanige uitkering ambtenaar was
c. de echtgenoten reeds voor het ontslag met elkaar gehuwd waren geweest dan wel de echtgenoot reeds voor het ontslag dezelfde man of vrouw had aangemeld.

Artikel G.4 Recht op bijzonder nabestaandenpensioen heeft de man of vrouw met wie een overleden ambtenaar, gewezen ambtenaar of gepensioneeerd ambtenaar gehuwd is geweest, mits:
a. hij of zij recht op nabestaandenpensioen zou hebben gehad, indien de ambtenaar, gewezen ambtenaar of gepensioneeerd ambtenaar op de dag van het vonnis, waarbij de echtscheiding of de ontbinding van het het huwelijk is uitgesproken, zou zijn overleden;

Noot PS 06.01.2022 15.48: Bedoeld wordt dus de dag waarop de rechtbank de echtscheiding heeft uitgesproken. Is dus niet de dag waarop de scheiding is ingeschreven in het register van de Burgerlijke Stand!

Hoofdstuk H Blz 60 Berekening van het nabestaanden- en wezenpensioen

Nabestaande van een ambtenaar

Artikel H1.1 Het pensioen van de nabestaande van een ambtenaar bedraagt 5/7 van het pensioen waarop de ambtenaar recht of uitzicht zou hebben gehad, indien hem met ingang van de dag na die van zijn overlijden ontslag was verleend, of als hij reeds was ontslagen, indien zijn recht op wachtgeld met ingang van de dag na die van zijn overlijden was geëindigd.

Noot PS 08.01.2022 13.48: Er staat duidelijk vermeld dat het nabestaandenpensioen afgeleid wordt van het ouderdomspensioen op het moment van ontslag.

Artikel H1.2 Indien de ambtenaar overlijdt vóór het einde van de maand, waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft of zou hebben bereikt, wordt voor de berekening van het ambtenarenpensioen zijn diensttijd doorgeteld tot het einde van die maand, eventueel met toepassing van de artikelen D3 en D4. Bij doortelling vind geen dubbeltelling plaats als bedoeld in artikel D5.

Nabestaande van een gewezen partner

Artikel H2 Het pensioen van de nabestaande van een gewezen ambtenaar bedraagt 5/7 gedeelte van het pensioen waarop de overledene uitzicht had.

Nabestaande van een gepensioneerd ambtenaar

Artikel H3 Het pensioen van de nabestaande van een gepensioneerd ambtenaar bedraagt 5/7 gedeelte van het pensioen waarop de overledene recht had

Artikel H3a.1 Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen over diensttijd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995

Artikel H3a.2 De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en geen recht heeft op pensioen of tijdelijke uitkering ingevolgde de Algemene Weduwen- en Wezenwet 9 AWW), heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt heeft recht op een toeslag op zijn volgens de voorgaande artikelen berekende pensioen. Deze toeslag bedraagt ....

Artkel H3b.1 Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen over diensttijd tussen 31 december 1994 en 1 januari 1996. De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt ....

Bijzonder nabestaandenpensioen ( heeft betrekking op een samenwonende deelnemer, zie ook artikel A5 en A6)

Artikel H5.1 Het bijzonder nabestaandenpensioen bedraagt in de gevallen bedoeld in de artikelen H1 tot en met H3 evenveel als het nabestaandenpenisoen in die gevallen bedraagt, met dien verstande dat voor de berekening van het ambtenarenpensioen of van het reeds toegekende ambtenarenpensioen, waarvan het bijzonder nabestaandenpensioen wordt afgeleid, slechts de diensttijd medetelt die is gelegen vóór de ontbinding van het huwelijk dan wel voor het tijdstip waarop de aanmelding is doorgehaald.

Noot PS 06.01.2022 16.09: Wordt hier nu echt bedoeld dat alle salarisaanpassingen na de scheiding worden meegeteld voor bepaling van de hoogte van het Bijzonder nabestaandenpensioen? Nee! zie de Note van 08.01.2022 14.02

Noot PS 08.01.2022 14.02: Het ABP heeft onder "Bijzonder Nabestaandenpensioen" altijd iets heel anders verstaan dan tot dusver door alle medewerkers van ABP en/of APG is aangehouden. Zie artikel A5 en A6!


Noot PS 07.01.2022 13.02:
Door de begripsverwarring zijn alle salarisaanpassingen na de datum scheiding met terugwerkende kracht tot datum in dienst, alleen toegekend aan de ex-partner! De laatste partner heeft deze verhogingen alleen gehad op basis van de dienstjaren vanaf datum scheiding.
Noot PS 07.01.2022: Uitzoeken of dit ooit eerder door iemand opgemerkt is!


Noot PS 06.01.2022 16.16: Kan in deze gesteld worden dat als bovenstaande klopt, de toegenomen waarde gerekend kan worden tot het huwelijks vermogen tot de datum scheiding? En als zodanig meegenomen zou moeten worden in de Boon/Van Loon-berekening?
Hierbij zou verwezen kunnen worden naar het arrest van de
Hoge Raad van 12 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1136
Noot PS 08.01.2022 14.02: De Noot van 06.01.2022 16.16 is met bovenstaande constateringen hiermee vervallen.

Artikel H5.2 Indien er recht bestaat op meer dan een bijzonder nabestaandenpensioen als bedoeld in artikel G4, eerste of tweede lid, vindt het vorige lid overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat voor de afleiding van het bijzonder nabestaandenpensioen ontleend aan elk huwelijk en elke aanmelding waaraan een eerder huwelijk dan wel een eerdere aanmelding voorafgaat, slechts de diensttijd meetelt die samenloopt of geacht kan worden samen te lopen met de huwelijksduur, dan wel de duur van de aanmelding.

Artikel H5.3 Indien er bij een overlijden recht bestaat op één of meerdere bijzonder nabestaandenpensioenen, wordt het nabestaandenpensioen dat aan hetzelfde overlijden overlijden wordt ontleend met het bedrag daarvan verminderd.

Nabestaandenpensioen bij hertrouwen dan wel een latere aanmelding

Artikel H6 Indien een nabestaande hertrouwt, dan wel partij is bij een latere aanmelding, wordt zijn pensioen opnieuw vastgesteld met ingang van de maand volgende op die waarin hij hertrouwt onderscheidenlijk de aanmelding geschiedt. Daarbij wordt van het ambtenarenpensioen waarvan het is afgeleid niet in aanmerking genomen, dat deel dat overeenkomt met de ingevolge artikel H1, tweede of derde lid, doorgetelde diensttijd en de in artikel H3, tweede lid, tweede volzin, bedoelde onvoltooide diensttijd.

Noot PS 06.02.2022 15.50: Als een nabestaande hertrouwt, wordt het nabestaandenpensioen opnieuw vastgesteld. De onvoltooide diensttijd tot de pensioendatum wordt dan wat betreft de vaststelling van het nabestaandenpensioen gecorrigeerd!

Beperking gezamenlijk bedrag nabestaandenpensioen

Artikel H9.1 De gedeelten van de nabestaanden-, bijzondere nabestaandenpensioenen, bedoeld in artikel H1, H2, H3, H5, H6 en H7 gaan tezamen het bedrag waarvan die pensioenen zijn afgeleid niet te boven.

Noot PS 08.01.2022 22.57: Hoewel dat hier niet wordt vermeld, lijkt het mij vanzelfsprekend dat als sprake is van toeslagen het ouderdomspensioen in dezelfde mate wordt aangepast. Zou dat niet het geval zijn, dan zou het nabestaandenpensioen niet verder verhoogd kunnen worden dan tot het oorspronkelijke ouderdomspensioen!

Artikel H9.2 Indien wegens toepassing van het vorige lid de daarbedoelde pensioengedeelten een vermindering moeten ondergaan, geschiedt deze in evenredigheid van de onderscheidene bedragen.

Grensbedrag nabestaandenpensioen

Artikel J2.1 Artikel J1 is van overeenkomstige toepassing op een nabestaandenpensioen met dien verstande, dat voor het daarvoor bedoelde grensbedrag in de plaats treedt ten aanzien van:
a. een nabestaandenpensioen, een bedrag gelijk aan 5/7 gedeelte van het overeenkomstig dat artikel vastgestelde grensbedrag van de ambtenarenpenisoenen waarvan de nabestaandenpensioenen zijn afgeleid
Artikel J2.2 Artikel H9 vindt overeenkomstige toepassing

Toeslag op nabestaandenpensioen

Artikel H9a.1 De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, heeft tot de eerste dag waarin hij die leetijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens de voorgaande artikelen berekende pensioen ten bedrage van vijftien percent van dat pensioen, behoudend het bepaalde in het tweede en vierde lid.
Atikel H9a. 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een pensioen als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat eventueel hoofdstuk J toepassing heeft gevonden.

Hoofdstuk I blz 69 Verval van pensioen

Hoofdstuk J blz 70 Samenloop van pensioen

Hoofdstuk K blz 87 De herplaatsbaar verklaarde ambtenaar

Hoofdstuk L blz 93 Het bestuur van en het toezicht op het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds

Hoofdstuk M blz 112 Financieel Beheer

Hoofdstuk N blz 115 Bijzonder financiele bepalingen

Waarde-overdracht en waarde-overname

Artikel N13 Voor de toepassing van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde wordt onder pensioeninstantie verstaan:
a. een pensioenfonds waarop de Pensioen- en spaarfondsenwet (Stb. 1981, 18) van toepassing is.

Hoofdstuk O blz 124 Aanvraag en toekenning van pensioen

Hoofdstuk P blz 125 Geneeskundig onderzoek en revalidatie

Hoofstuk Q blz 135 Ingang en einde van de pensioenen

Ingang ambtenarenpensioen

Artikel Q1. Het ambtenarenpensioen gaat in met de dag waarop het recht daarop ontstaat, met dien verstande dat het niet vroeger ingaat dan een jaar vóór de eerste dag van de maand waarin de aanvraag werd ingediend of waarin ambtshalve toekenning plaatsvond

Ingang nabestaandenpensioen

Artikel Q2. Het nabestaandenpensioen gaat in met de dag volgende op die van het overlijden van hem aan wie het wordt ontleend, met dien verstande dat artikel Q1 van overeenkomstige toepassing is.

Einde pensioen

Artikel Q5. Elk pensioen eindigt met het einde van de maand, wanneer de rechthebbende is overleden.

Nabestaandenuitkering

Artikel Q6. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een gepensioneerde ambtenaar wordt aan diens nabestaande van wie hij niet duurzaam gescheiden leefde, een uitkering toegekend ten bedrage van het pensioen van die ambtenaar over een tijdvak van twee maanden

Hoofdstuk R blz 137 Betaling van pensioen

Verval van pensioentermijnen

Artikel R3.1 Het bestuur betaalt de termijnen van een pensioen niet meer uit indien deze niet zijn ingevorderd binnen twee jaren na het tijdvak waarover ze zijn verschuldigd

Uitkering ineens tot afkoop van pensioen

Hoofdstuk S blz 140 Bezwaar, beroep en herziening

Hoofdstuk T blz 144 Algmene bepalingen overgangsrecht

Intrekking Pensioenwet 1922 enz.

Hoofstuk U blz 146 Bijzonder bepalingen van overgangsrecht

Hoofstuk V blz 177 Generaal pardon. Hernieuwde gelegenheid tot inkoop van niet-ingekochte diensttijd en wachtgeldtijd

Hoofstuk W blz 184 Slotbepalingen

Overzicht wijzigingswetten

Overgangs- en slotbepalingen van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP (Wet van 27 april 1994, Stb. 302)

Uittreksel uit de Wet van 21 december 1995 (Stb. 638) tot wijziging van de Algemene burgerlijke pensioenwet en de Algemene militaire pensioenwet (invoering partnerpensioen) ......

Artikel V. Ten aanzien van een aanmelding die plaatsvindt voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van de Wet gemeentelijke basisadministgratie persoonsgegevens wordt de man of vrouw met wie de ambtenaar, gewezen ambtenaar of gepensioneerd ambtenaar onderscheidenlijk de militair, gewezen militair of gepensioneerd militair op hetzelfde woonadres in het persoonsregister is opgenomen gelijk gesteld aan de man of vrouw die als ingezetene met hetzelfde woonadres in de basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven, bedoeld in het bij deze wet in de Algemene burgerlijke pensioenwet ingevoegde artikel A5 onderscheidenlijk het in de Algemene militaire pensioenwet ingevoegde artikel A5a.

Van Tot Overlijden voor 65 Overlijden Na 65
  01.01.2004 5/7 van het OP 5/7 van het OP
01.01.2004 01.01.2006 5/7 van het OP 5/14 van het OP
01.01.2006 01.01.2015 5/10 van het OP 5/14 van het OP
       
01.01.2015 01.01.2016 5/10 van het OP 5/10 van het OP
01.01.2016 01.01.2018 5/10 van het OP 70% van het OP
    Ongeacht moment overl. Ongeacht moment overl.
01.01.2018   70% van het OP 70% van het OP

Noot PS 22.02.2021 16.45: Bovenstaand schema is overgenomen uit de brief van het ABP van 11.05.2021

Terug naar: PensioenScheiden of Pensioenweetjes

Laatstelijk aangepast: 25 juli 2022

Pensioentechnische begrippen:

Bijdragegrondslag - Bedrag waarover de pensioenbijdrage werd geheven: het salaris, inclusief vakantie-uitkering en toelagen
Franchise - Gedeelte van het salaris waarover geen premie wordt geheven. Tevens het bedrag waarop het ABP-pensioen als aanvulling dient. De franchise is beleidsmatig gekoppeld aan de AOW.
Overrente - Indien het verschil tussen het rendement van het pensioenfonds en de indexatie van de pensioenaanspraken in een jaar groter is dan de rekenrente noemt men het surplus overrente.
Pensioenbijdrage - Het bedrag dat door de werkgevers aan het pensioenfonds wordt afgedragen, ter financieirng van de pensioenen. In de nota wordt hiervoor ook de term premie gehanteerd.
Pensioenbijdrageverhaal - Het gedeelte van de pensioenbijdrage wordt verhaald door inhouding op het salaris.
Privatisering ABP - Miv 01.01.1996 ontstond de Stichting Pensioenfonds ABP (einde van de ABP-wet).

Welke overheidsinstellingen

Algemene Burgerlijke Pensioenwet

Algemene Militaire Pensioenwet
Algemene Pensioenwet politieke ambtsdragers

Pensioenwet voor de Landmacht
Pensioenwet voor de Zeemacht
Spoorwegpensioenwet


Stichting Spoorweg Pensioenfonds
Stichting Bedrijfspensioenfonds KPN