Stichting Pensioenfonds ABP vanaf 01.01.1996, aangepast 01.07.1999

Alleen artikelen opgenomen in relatie tot scheiding en/of indexering.

Artikel 1 - Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen
a. aangesloten werkgever: een werkgever als bedoeld in artikel 2.2
b. Abp-wet: De Algemene Burgerlijke pensioenwet zoals die wet luidde voor 1 januari 1996
c. Amp-wet: De Algemene militaire pensioenwet
s. nabestaande: de partner
v. partner: de partner bedoeld in artikel 1.4
x. PSW: De Pensioen- en spaarfondsenwet

Artikel 1.2 Deeltijdfactor

Artikel 1.3 Ontslaguitkering

Artikel 1.4 Partner
Onder partner wordt verstaan:
a. de echtgenoot van de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde
b. de geregistreerde partner, bedoeld in artikel 80a, Boek 1, Titel 5a van het Burgerlijk Wetboek, van de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde
c. degene die door de ongehuwde deelnemer of gewezen deelnemer als partner is aangemeld bij het fonds en door het bestuur als zodanig is aangemerkt.

Artikel 1.5 Fpu-regeling

Artikel 2 - Werkingssfeer, deelneming en aanspraken

Artikel 2.4 (Deelneming)
2.4.1.Deelnemers zijn:
a. de werknemers;
b. de gewezen werknemers tot de eerste dag van de maand volgens op die waarin zij de leeftijd van 62 jaar hebben bereikt, indien zij, voor zolang dat recht is toegekend, recht hebben op een invaliditeitspensioen of arbeidsongeschiktheidspensioen;
c. de gewezen werknemers tot de eerste dag van de maand volgende op die waarin zij de leeftijd van 62 jaar hebben bereikt, indien zij, voor zolang dat recht is toegekend, recht hebben op een ontslaguitkering;
d. de gewezen werknemers vanaf de eerste dag van de maand volgende op die waarin zij de leeftijd van 62 jaar hebbe bereikt, indien zij, voor zover dat recht is toegekend, recht hebben op een invaliditeitspensioen;
e. de gewezen werknemers vanaf de eerste dag van de maand volgende op die waarin zij de leeftijd van 62 jaar hebben bereikt, indien zij, voor zover dat recht is toegekend, recht hebben op een ontslaguitkering;
f. degenen die op grond van artikel 16.1, eerste lid, vrijwillig deelnemer in het fonds of op grond van artikel 16.1, tweede lid, de deelneming in het fonds vrijwillig voortzetten
2.4.2 Degene die voor 1 januari 1996 ambtenaar in de zin van de Abp-wet is geweest, wordt als deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde aangemerkt met inachteneming van hoofdstuk 18.
2.4.3 De in het eerste lid, onderdelen b en c bedoelde lrrftijdsgebonden beperking van de deelneming geldt niet voor:
a. de gewezen werknemers die, voor zolang dat recht is toegekend, op 1 april 1997 recht hadden op een invaliditeitspensioen
b. de gewezen werknemers, die voor zolang dat recht is toegekend, op 1 april 1997 recht hadden op een ontslaguitkering
c. de gewezen werknemers die zouden hebben voldaan aan de voorwaarden voor het verkrijgen van het recht op een vut-uitkering indien hen met ingang van 1 april 1997 of een daarvoor gelegen tijdstip ontslag zou zijn verleend, mits zij, voor zoalng dat recht is toegekend, recht hebben op een invaliditeitspensioen;
d. de gewezen werknemers die zouden hebben voldaan aan de voorwaarden voor het verkrijgen van het recht op een vut-uitkering indien hen met ingang van 1 april 1997 of een daarvoor gelegen tijdstip ontslag zou zijn verleend, mits zij, voor zoalng dat recht is toegekend, recht hebben op een in de fpu-regeling bedoelde uitkering ten laste van de Stichting Vut-fonds Overheidspersoneel.

Artikel 3 - Inkomen en berekeningsgrondslag

Artikel 4 - Pensioenpremie

Artikel 5 - Pensioengeldige tijd

Artikel 5a - Flexibel pensioen

Artikel 6 - Recht op ouderdomspensioen
Met ingang van 01.01.2014 is de opbouw van het ouderdomspensioen verlaagd van 2,05% naar 1,95%. De wijzigingen gelden alleen voor het pensioen dat vanaf 01.01.2014 wordt opgebouwd.
Met ingang van 01.01.2015 is de opbouw van het ouderdomspensioen verlaagd van 1,95% naar 1,875%.

Artikel 6.5 (Pensioenverhoging door omzetting partnerpensioen) (gewijzigd 01.07.1999)
6.5.1 - De deelnemer, de gewezen deelnemer en de fpu-gepensioneerde hebben bij ingang van het ouderdomspensioen eenmalig de keuzemogelijkheid het ouderdomspensioen met 12% te verhogen voor zover dit ouderdomspensioen is berekend naar de pensioengeldige tijd:
a. gelegen na 30 juni 1999; en
b. die overeenkomt met de tijd die krachtens artikel 7.2 voor de berekening van het partnerpensioen in aanmerking wordt genomen.
6.5.2 - Met de verhoging van het ouderdomspensioen, bedoeld in het eerste lid vervalt de aanspraak op partnerpensioen, voor zover opgebouwd na 30 juni 1999
6.5.3. - De keuze, bedoeld in het eerste lid kan slechts met toestemming van de partner worden uitgeoefend. Het bestuur kan nadere regels stellen met betrekking tot het uitoefenen van de keuzemogelijkheid.
6.5.4 - De verhoging van het ouderdomspensioen, bedoeld in het eerste lid gaat in met ingang van de dag waarop recht op ouderdomspensioen ontstaat. De verhoging is onherroepelijk.

Art. 6.7 Vermindering ouderdomspensioen bij pensioenverevening (gewijzigd 01.07.1999)
Indien recht op een bijzonder ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 6.8 is ontstaan, wordt de aanspraak op ouderdomspensioen, onderscheidenlijk de afkoopsom daarvan, danwel het ouderdomspensioen onvoorwaardelijk verminderd met het deel van het ouderdomspensioen dat in aanmerking is genomen bij de vaststelling van dat bijzonder ouderdomspensioen.

Artikel 6.8 Bijzonder ouderdomspensioen (toegevoegd 01.07.1999)
6.8.1 - De gewezen echtgenoot, of de gewezen geregistreerde partner, van de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde heeft recht op bijzonder ouderdomspensioen indien toepassng wordt gegeven aan artikel 5 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding
6.8.2 - Behoudens het derde lid, gaat het bijzonder ouderdomspensioen in op de dag waarop de gewezen echtgenoot of de gewezen geregistreerde partner, de leeftijd van 65 bereikt, of indien de echtscheiding, of de beëindiging van het geregistreerd partnerschap heeft plaatsgevonden na dit tijdstip, zodra toepassing kan worden gegeven aan artikel 5 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding
6.8.3 - Het Bijzonder Ouderdomspensioen gaat niet eerder in dan een maand na de datum waarop het fonds de ter zake vereiste bescheiden heeft ontvangen.
6.8.4 - Het bijzonder ouderdomspensioen wordt vastgesteld met inachtneming van de berekeningsgrondslag waarnaar het ouderdomspensioen van de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioeneerde zou zijn berekend indien hij met ingang van de dag waarop de echtscheiding, of de beéindiging van het geregistreerd partnerschap, heeft plaatsgevonden, recht zou hebben verkregen op een ouderdomspensioen.

Artikel 7 - Nabestaandenpensioen (recht op partnerpensioen bij overlijden voor 65 jaar) (gewijzigd 01.07.1999)
7.1.1 - Bij overlijden van de deelnemer, gewezen deelnemer of fpu-gepensioneerde voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar heeft diens partner met ingang van de dag volgende op het overlijden recht op een partnerpensioen.
7.1.2 - In afwijking van het eerste lid bestaat geen recht op een partnerpensioen indien:
a. indien de huwelijksvoltrekking, de registratie van het partnerschap of de aanmelding als partner heeft plaatsgevonden na het ontslag van de overledene en de pensioengeldige tijd van de overledene geheel is gelegen voor 1 januari 1996;
b. voorzover de pensioengeldige tijd van de overleden gewezen deelnemer is gelegen na 30 juni 1999.

Artikel 7.1a (recht op partnerpensioen bij overlijden na 65 jaar) (toegevoegd 01.07.1999)
7.1a.1 - Bij overlijden van de gepensioneerde op of na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar heeft diens partner met ingang van de dag volgende op het overlijden recht op een partnerpensioen
7.1a.2 - In afwijking van het eerste lid bestaat geen recht op een partnerpensioen:
In afwijking van het eerste lid bestaat geen recht op een partnerpensioen indien:
a. indien de huwelijksvoltrekking, de registratie van het partnerschap of de aanmelding als partner heeft plaatsgevonden na het ontslag van de overledene en de pensioengeldige tijd van de overledene geheel is gelegen voor 1 januari 1996;
b. voorzover de pensioengeldige tijd van de overleden gewezen deelnemer is gelegen na 30 juni 1999 en gebruik is gemaakt van de keuzemogelijkheid, bedoeld in artikel 6.5, eerste lid.

Artikel 7.2 - Berekening partnerpensioen (gewijzigd 01.07.1999)
7.2.1. Het pensioen van de partner bedraagt vijf zevende gedeelte van de aanspraak dan wel het recht op een ouderdomspensioen. Bij de berekening van het pensioen wordt slechts de pensioengeldige tijd voor 1 juli 1999 nin aanmerking genomen:
a. bij overlijden van een gewezen deelnemer
b. indien gebruik is gemaakt van de keuzemogelijkheid, bedoeld in artikel 6.5, eerste lid
7.2.2 Indien de deelnemer overlijdt voor het einde van de maand waarin hij de leeftijd van 62 jaar heeft of zou hebben bereikt, wordt voor berekening van het pensioen zijn pensioengeldige tijd met toepassing van hoofdstuk 5 doorgeteld tot de eerste van de dag maand volgende op die waarin hij de leeftijd van 62 jaar heeft of zou hebben bereikt.
7.2.3 Indien de deelnemer behoort tot een van de categoriën als bedoeld in artikel 2.4 derde lid en zijn overlijden plaats vindt voor het einde van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft of zou hebben bereikt, wordt in afwijking van het tweede lid de pensioengeldige tijd doorgeteld tot de dag waarop het recht op ouderdomspensioen zou zijn ontstaan.
7.2.4 Indien bij een overlijden tevens recht bestaat of zou hebben bestaan indien geen gebruik zou zijn gemaakt van de mogelijkheid van artikel 5 van de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding, op een of meer bijzondere partnerpensioenen als bedoeld in artikel 7.5 en 7.5a, wordt het partnerpensioen verminderd met deze krachtens artikel 7.5b, eerste lid, berekende bijzondere partnerpensioenen.
7.2.5 Een partnerpensioen wordt voorts verminderd, indien de partner meer dan 10 jaar jonger was dan de deelnemer, gewezen deelnemer, fpu gepensioneerde of gepensioneerde en het huwelijk, het geregistreerd partnerschap, of de aanmerking als partner op de dag van het overlijden nog geen 5 jaren heeft geduurd. De vermindering bedraagt 3% voor elk vol jaar dat het leeftijdsverschil meer dan 10 bedraagt.
7.2.6 Het vijfde lid is niet van toepassing ten aanzien van de huwelijksvoltrekking , onderscheidelijk de aanmerking als partner die voor 1 januari 1996 heeft plaatsgevonden.
7.2.7 Een partnerpensioen wordt opnieuw vastgesteld met ingang van de maand volgende op die waarin hij hertrouwt, opnieuw als partner wordt geregisteerd, of als ongehuwd samenwonenend als bedoeld in de ANW wordtr aangemerkt. Daarbij wordt van het ouderdomspensioen waarvan het partnerpensioen is afgeleid niet in aanmerking genomen, dat deel dat overeenkomt met de ingevolge het tweede en derde lid doogetelde pensioengeldige tijd die is gelegen na de datum van het overlijden van de deelnemer.

Artikel 7.3 (samenloop partnerpensioenen)

Artikel 7.4 (Toeslag) (gewijzigd 01.07.1999)
7.4.1 De partner die recht heeft op partnerpensioen en die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt. heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag. Deze bedraagt:
a. bij een partnerpensioen dat is ingegaan voor 1 juli 1999 en berekend volgens de artikelen 7.2 en 7.3, 15% van dat pensioen.
b. bij een partnerpensioen dat is ingegaan na 30 juni 1999 en berekend volgens de artikelen 7.2 en 7.3, 15% van dat pensioen voorzover berekend naar pensioengeldige tijd gelegen voor 1 juli 1999 en 7,5% van dat pensioen voor zover berekend naar pensioengeldige tijd gelegen na 30 juni 1999.
7.4.2 Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de partner wiens partnerpensioen met toepassing van artikel 7.2, zevende lid, opnieuw is vastgesteld.
7.4.3 De toeslag, bedoeld in het eerste lid bedraagt niet meer dan 15% van hfl 63.551,27

Artikel 7.4a (Toeslag: compensatie indien geen recht op Anw)(gewijzigd 01.07.1999)
7.4a.1 Indien ter zake van het overlijden van een deelnemer, fpu-gepensioeneerde of gepensioneerde recht op partnerpensioen krachtens dit reglement ontstaat, heeft de partner die geen recht op niet langer recht jeeft op een Anw nabestaandenuitkering recht op een toeslag voor die tijd die bij de berekening van zijn pensioen in aanmerking is genomen.

Artikel 7.5 ( Bijzonder partnerpensioen bij overlijden voor 65 jaar)
7.5.1. Bij overlijden van de deelnemer, gewezen deelnemer of fpu-gepensioneerde voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar heeft de gewezen partner met ingang van de dag volgende op het overlijden recht op bijzonder partnerpensioen.
7.5.2 in afwijking van het eerste lid bestaat geen recht op bijzonder partnerpensioen:
a. indien de partners bij huwelijkse voorwaarden, bij voorwaarden van een geregistreerd partnerschap, of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op het einde van het huwelijk, het geregistreerd partnerschaap of de aanmerking als partner anders overeenkomen en het bestuur daarmee heeft ingestemd;
b. indien de pensioengeldige tijd van de overledene waarnaar het bijzonder partnerpensioen wordt berekend geheel is gelegen voor 1 januari 1996 en geen uitzicht bestond op bijzonder nabestaandenpensioen ingevolgde de Abp-wet
c. voorzover de pensioengeldige tijd van de overleden deelnemer, gewezen deelnemer of fpu-gepensioeneerde is gelegen na 30 juni 1999

Artikel 7.5a (Bijzonder partnerpensioen bij overlijden na 65 jaar)
7.5a.1. Bij overlijden van de gepensioneerde op of na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar heeft de gewezen partner met ingang van de dag volgende op het overlijden recht op bijzonder partnerpensioen.
7.5a.2 in afwijking van het eerste lid bestaat geen recht op bijzonder partnerpensioen:
a. indien de partners bij huwelijkse voorwaarden, bij voorwaarden van een geregistreerd partnerschap, of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op het einde van het huwelijk, het geregistreerd partnerschaap of de aanmerking als partner anders overeenkomen en het bestuur daarmee heeft ingestemd;
b. indien de pensioengeldige tijd van de overledene waarnaar het bijzonder partnerpensioen wordt berekend geheel is gelegen voor 1 januari 1996 en geen uitzicht bestond op bijzonder nabestaandenpensioen ingevolgde de Abp-wet
c. voorzover de pensioengeldige tijd van de overleden deelnemer is gelegen na 30 juni 1999 en gebruik is gemaakt van de keuzemogelijkheid, als bedoeld in artikel 6.5, eerste lid.

Artikel 7.5b (Berekening bijzonder partnerpensioen)
7.5b.1 Het bijzonder partnerpensioen bedraagt 5/7 van het ouderdomspensioen, zoals dat wordt berekend op de datum waarop het huwelijk, het geregistreerd partnerschap, of de aanmerking als partner anders dan door overlijden is geëindigd.
7.5b.2 Bij overlijden voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar wordt voor de berekening van het ouderdomspensioen, bedoeld in het eerste lid:
a. als pensioengeldige tijd in aanmerking genomen de tijd die is gelegen voor het tijdstip waarop het huwelijk, het geregistreerd parterschap, of de aanmerking als partner is geëindigd, met dien verstande dat hiervan slechts meetelt de tijd gelegen voor 1 juli 1999;
b. de berekeningsgrondslag gehanteerd waarnaar het ouderdomspensioen van de deelnemer, gewezen deelnemer of fpu-gepensioeneerde zou zijn berekend, indien hij met ingang van de dag waarop de in onderdeel a bedoelde gebeurtenis zich heeft voorgedaan, recht zou hebben verkregen op een ouderdomspensioen.
7.5b.3 Bij overlijden op of na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar wordt, indien gebruik is gemaakt van de keuzemogelijkheid, bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, voor de berekening van het ouderdomspensioen, bedoeld in het eerste lid, slecht s de pensioengeldige tijd gelegen voor 1 juli 1999 in aanmerking genomen.
7.5b.4 Het bijzonder partnerpensioen, bedoeld in het eerste lid wordt verminderd met het recht op een bijzonder partnerpensioen dat wordt ontleend aan eerder ontstane aanspraken op bijzonder partnerpensioen. deze vermindering vindt tevens plaats indientoepassing is gegeven aan artikel 5 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.
7.5b.5 Een Bijzonder partnerpensioen wordt voorts verminderd indien de gewezen partner meer dan 10 jaar jonger was dan de overledene erde en het huwelijk, het geregistreerd partnerschap, of de aanmerking als partner geen 5 jaren heeft geduurd. De vermindering bedraagt drie procent voor elk vol jaar dat het leeftijdsverschil meer dan 10 bedraagt.
7.5b.6 Het vijfde lid is niet van toepassing ten aanzien van de huwelijksvoltrekking, onderscheidenlijk de aanmerking als partner die voor 01.01.1996 heeft plaatsgevonden.

Artikel 7.6 (Recht op wezenpensioen)

Artikel 7.10 (overlijdensuitkering bij ouderdomspensioen)

Artikel 8 - Invaliditeitspensioen

Artikel 9 - Herplaatsingstoelage

Artikel 10.1 - Aanspraken bij tussentijds eindigen van de deelneming
10.1.1 - De gewezen deelnemer verkrijgt bij het eindigen van zijn deelneming anders dan door het ingaan van het flexibel pensioen, het ouderdomspensioen of door overlijden een premievrije aanspraak op flexibel pensioen, ouderdomspensioen, partnerpensioen en wezenpensioen.
10.1.2 - De premievrije aanspraak op flexibel pensioen of ouderdomspensioen wordt vastgesteld met inachtneming van hoofdstuk 5a onderscheidenlijk 6, met dien verstande dat voor de berekening:
a. wordt uitgegaan van de pensioengeldige tijd die is gelegen voor het tijdstip van het eindigen van de deelneming en
b. als berekeningsgrondslag in aanmerking wordt genomen de berekeningsgrondslag bedoeld in artikel 3.2, die is vastgesteld voor het jaar voorafgaande aan het jaar waarin de deelneming is geëindigd.
10.1.3 De premievrije aanspraken op partnerpensioen en wezenpensioen worden vastgesteld met inachtneming van hoofdstuk 7, met dien verstande dat deze worden afgeleid van de premievrije aanspraken op flexibel pensioen en ouderdomspensioen.

Artikel 10.2 (Premievrije aanspraken op bijzonder partnerpensioen ontstaan voor 65 jaar)
10.2.1 Indien het huwelijk, het geregistreerd partnerschap, of de aanmerking als partner anders dan door overlijden eindigt voor de dag waarop de deelnemer, gewezen deelnemer of fpu-gepensioneerde de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, verkrijgt de gewezen partner een premievrije aanspraak op bijzonder partnerpensioen.
10.2.2 De premievrije aanspraak, bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 7.5b, met dien verstande dat voor de berekening van de aanspraak mede in aanmerking wordt genomen de pensioengeldige tijd die is gelegen na 30 juni 1999 tot het tijdstip waarop het huwelijk, het geregistreerd partnerschap, of de aanmerking als partner is geéindigd, voorzover over de tijd met het oog op het overlijden van de gepensioneerde na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar op partnerpensioen is opgebouwd.

Artikel 10.3 (Premievrije aanspraken op bijzonder partnerpensioen ontstaan na 65 jaar)
10.2.1 Indien het huwelijk, het geregistreerd partnerschap, of de aanmerking als partner anders dan door overlijden eindigt op of na de dag waarop de gepensioneerde de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, verkrijgt de gewezen partner een premievrije aanspraak op bijzonder partnerpensioen.
10.2.2 De premievrije aanspraak, bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 7.5b.

Artikel 11 - Waarde-overdracht/overname en uitkering ineens tot afkoop van pensioen

Artikel 12 - Indexatie
12.1.1 - De berekeningsgrondslag, bedoeld in de artikel 3.2, van een ingegaan pensioen dan wel een aanspraak op pensioen van een gewezen deelnemer dan wel een gewezen partner wordt aangepast overeenkomstig de algemene bezoldigingswijziging van het overheidspersoneel teneinde een aan die bezoldigingswijziging evenredige aanpassing van de pensioenen te bewerkstelligen, tenzij de financiële positie van het fonds zich dwingend tegen die aanpssing verzet.

Artikel 13 - Toekenning , einde en betaling pensioen

Artikel 14 - Berichtgeving en inlichtingen

Artikel 15 - Sanctiebepalingen

Artikel 18 - Overgangsrecht in verband met de privatisering

18.1 Pensioengeldige tijd voor 1 januari 1996

18.2 Omrekening aanspraken ouderdomspensioen algemeen
18.2.1 - De op 31 december 1995 bestaande pensioenaanspraak van een deelnemer, berekend volgens de bepalingen van de Abp-wet, worden per die datum omgerekend naar gelijkwaardige aanspraken volgens de bepalingen van dit reglement.
18.2.5 - De correctiefactoren, bedoeld in het tweede en derde lid, worden vastgesteld overeenkomstig bijlage f. Van de aldus vastgestelde correctiefactoren wordt mededeling gedaan aan de belanghebbende, welke mededeling is voorzien van een toereikende toelichting.

18.3 Omrekening ten aanzien van de gewezen ambtenaar en degene die een ouderdomspensioen of een nabestaandenpensioen geniet ingevolge de Abp-wet
18.3.1 - Artikel 18.2 is van overeenkomstige toepassing op het uitzicht, onderscheidelijk het recht op pensioen op 31 december 1995 ingevolde de Abp-wet, met dien verstande dat de aanspraak, onderscheidenlijk het recht in afwijking van artikel A, eerste lid, van bijlage f, wordt berekend met toepassing van de aangepaste middelsom volgens de Abp-wet.
18.3.2 - Indien er sprake is van meer dan een tijdvak wordt de aanspraak, onderscheidenlijk het recht nader vastgesteld met inachtneming van de aangepaste middelsom van het laatste tijdvak.

 

 

 

Terug naar: PensioenScheiden of Pensioenweetjes

Laatstelijk aangepast: 11 februari 2020

 

Pensioenrekenleeftijd: met ingang van 01.01.2014 is de rekenleeftijd verhoogd van 65 naar 67 jaar.

Verhogingsfactoren:
Van 65 naar 67 - 1.139
Van 65 naar 68 - 1,212

 

Artikel H1.1 Het pensioen van de nabestaande van een ambtenaar bedraagt 5/7 van het pensioen waarop de ambtenaar recht of uitzicht zou hebben gehad

Van Tot Overlijden voor 65 Overlijden Na 65
  01.01.2004 5/7 van het OP 5/7 van het OP
01.01.2004 01.01.2006 5/7 van het OP 5/14 van het OP
01.01.2006 01.01.2015 5/10 van het OP 5/14 van het OP
    Overlijden voor 67 Overlijden na 67
01.01.2015 01.01.2016 5/10 van het OP 5/10 van het OP
01.01.2016 01.01.2018 5/10 van het OP 70% van het OP
    Ongeacht moment overl. Ongeacht moment overl.
01.01.2018   70% van het OP 70% van het OP