Algemene burgerlijke pensioenwet (tot 01.01.1996)

Algemene bepalingen:

b. - bestuur: het bestuur bedoeld in atikel L2
d. - orgaan: ieder gezag of bestuur dat voor een lichaam deze wet uitvoert

Pensioentechnische begrippen:

Bijdragegrondslag - Bedrag waarover de pensioenbijdrage werd geheven: het salaris, inclusief vakantie-uitkering en toelagen
Franchise - Gedeelte van het salaris waarover geen premie wordt geheven. Tevens het bedrag waarop het ABP-pensioen als aanvulling dient. De franchise is beleidsmatig gekoppeld aan de AOW.
Overrente - Indien het verschil tussen het rendement van het pensioenfonds en de indexatie van de pensioenaanspraken in een jaar groter is dan de rekenrente noemt men het surplus overrente.
Pensioenbijdrage - Het bedrag dat door de werkgevers aan het pensioenfonds wordt afgedragen, ter financieirng van de pensioenen. In de nota wordt hiervoor ook de term premie gehanteerd.
Pensioenbijdrageverhaal - Het gedeelte van de pensioenbijdrage wordt verhaald door inhouding op het salaris.
Privatisering ABP - Miv 01.01.1996 ontstond de Stichting Pensioenfonds ABP (einde van de ABP-wet).

Hoofdstuk A blz 5 Algemene bepalingen

1a - Deeltijdbetrekkingen: Voor de toepassingvan het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder deeltijdbetrekking een betrekking ingevolge aanstelling of indienstneming op arbeidsvereenkomst naar burgerlijk recht, die minder uren omvat dan gebruikelijk is voor de gelijksoortige volledige betrekking(ingevoegd bij de wet van 03.07.1986 m.i.v. 01.01.1986)
2 - De omvang van een deeltijdbetrekking als bedoel in het eerste lid wordt aangegeven door de deeltijdfactor. De deeltijdfactor is een breuk waarvan de noemer wordt gevormd door het bedrag van het salaris dat in het toepasselijke systeemj zou gelden bij volledige werktijd, zonodig vastgesteld op grond van functuewaardering, en de teller door het bedrag van het feitelijk genoten salaris
5 - De ambtenaar kan één man of vrouw aanmelden bij het fonds indien:
a. hij en deze man of vrouw beiden als ingezetene met hetzelfde woonadres in de GBA zijn ingeschreven b. een notarieel samenlevingscontract overleggen c. geen van beide gehuwd is
6. De bepalingen van deze wet voor het nabestaandenpensioen zijn van overeenkomstige toepassing op het bijzonder nabestaandenpensioen, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt.

Artikel A8.1 De middelsommen van berekeningsgrondslagen, bedoeld in artikel F6, behorende bij een ingegaan pensioen dan wel een uitzicht op pensioen, worden telkens gewijzigd overeenkomstig een algemene bezoldigingswijziging, ten einde een aan die algemene bezoldigingswijziging evenredige aanpassing van de pensioenen te bewerkstelligen.
A8.2 - Indien de salarissen van het overheidspersoneel en van het personeel in dienst van de lichamen, bedoeld in artikel B 2, een wijziging ondergaan, bepaalt onze Minister, in overeenstemming met de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken, de algemene bezoldigingswijziging en de datum waarop deze ingaat.

Hoofdstuk B blz 10 Ambtenaarschap

Hoofdstuk C Ambtelijk inkomen

Artikel C1 - Ambtelijk inkomen in de zin van deze wet omvat alle inkomsten in geld die een ambtenaar ter zake van zijn dienstverhouding ontvangt met uitzondering van (o.a.):
- gratificaties
- de uitkering krachtens de Interimregeling ziektekosten
- tantiemes
- die, welke strekken tot vergoeding wegens diensten die buiten de voor de ambtenaar vastgestelde werktijd zijn verricht

Bijdragegrondslag
Art. C2.1 - Elk ambtelijk inkomen dat een ambtenaar in een uitbetalingstermijn heeft ontvangen of geacht wordt te hebben ontvangen vormt een bijdragegrondslag over die termijn. Onder uitbetalingstermijn wordt verstaan een periode van een maand of vier weken, waarin het ambtelijk inkomen is ontvangen of geacht wordt te zijn ontvangen. De jaarlijkse vakantietoeslag maakt deel uit van de bijdragegrondslag over de laatste betalingstermijn van de periode, waarop die uitkering betrekking heeft. De bijdragegrondslag over een jaar wordt gevormd door de som van de bijdragegrondslagen over de uitbetalingstermijnen in dat jaar.
Art. C2.3 - Ieder orgaan doet zo spoedig mogelijk na het verstrijken van elke uitbetalingstermijn, doch uiterlijk voor het einde van de maand volgende op die termijn, aan het bestuur der dienstverhouding, onderscheidelijk per wachtgelder, gespecificeerd opgave van de bijdragegrondslag over bedoelde termijn en zonodig van de voor die termijn geldende deeltijdfactor.
Art. C2.4 - Het bestuur kan ambsthalve een bijdragegrondslag vaststellen, wijzigen of intrekken. Het bestuur stelt het orgaan hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennis.

Pensioenbijdragen ABP-wet 1981-1994
Art. C3.1 - Ieder lichaam is pensioenbijdrage verschuldigd voor iedere in zijn dienst zijnde ambtenaar die de kleeftijd van 25 jaar heeft bereikt of zal bereiken in de uitbetalingstermijn waarop de bijdragegrondslag bedoeld in het tweede lid betrekking heeft.
Art. C3.2 - De pensioenbijdrage bedraagt 21,5% van de bijdragegrondslag. In afwijking van de eerste volzin bedraagt de pensioenbijdrage over een bijdragegrondslag betreffende een deeltijdbetrekking het daar genoemde percentage vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.
Art. C3.3 - Indien een actuariële balans als bedoeld in artikel L.12 daartoe aanleiding geeft, wordt het percentage van de pensioenbijdrage bij de wet gewijzigd met ingang van een daarbij te bepalen datum, die niet mag voorafgaan aan de balansdatum.

Betaling pensioenbijdrage
Art. C4.1 - Ieder orgaan betaalt aan het fonds voor het einde van de maand volgende op een uitbetalingstermijn de op die termijn betrekking hebbende pensioenbijdrage.

Bijdrageverhaal op ambtenaar
Art. 7.1 - Het orgaan houdt volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regelen op de inkomsten van de ambtenaar een bedrag in als verhaal van de aan het fonds te betalen pensioenbijdrage


1981 - 21%
1982 - 18,7% (Stb. 607, 1985)
1983 - 18,7%
1984 - 16,9% (Stb 91, 1986)
1985 - 14,4% (stb 88, 89, 90, 92, 1986)
1986 - 12,5% (stb 323, 1989)
1987 - 11,6% (Stb.323, 1989)
1988 - 09,7% (Stb.365, 1991)
1993 - 08,8%
1994 - Pensioenbijdrage wordt berekend volgens het synthesemodel

NB. De verlagingen van de afdrachten aan het ABP waren voornamelijk bedoeld om het financieringstekort van de Staat terug te dringen.

Hoofdstuk D blz 20 Diensttijd
Als diensttijd komt in aanmerking:
a - als dienstplichtige als bedoeld in artikel A1
b - in een betrekking in de Nederlandse Antillen of Aruba

Artikel D3 Diensttijd doorgebracht in een deeltijdbetrekking telt mede voor het gedeelte dat wordt uitgedrukt door de deeltijdfactor

Artikel D 5.3 - Van de diensttijd die krachtens artikel D1, tweede lid, onde a, in aanmerking komt telt dubbel mede de tijd, ten aanzien waarvan dit door Ons op grond van artikel D4 van de Algemene militaire pensioenwet voor de toepassing van die wet is bepaald.

Hoofdstuk E blz 25 Het recht op ambtenarenpensioen

Artikel E 1 - De ambtenaar heeft na zijn ontslag recht op pensioen, indien hij op het tijdstip van ingang van het ontslag:
a. hetzij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt (ouderdomspensioen)

Hoofdstuk F blz 27 Berekening van het ambtenarenpensioen

Artikel F1 - Onder dienstlijn verstaat deze wet de diensttijd doorgebracht in een of meer dienstverhoudingen, al dan niet gelijktijdig, waarover pensioen wordt berekend naar dezelfde middelsom van berekeningsgrondslagen als bedoeld in artikel F6 (eindloon)
Artikel F1.3 - In afwijking van het tweede lid worden als afzonderlijke dienstlijnen beschouwd:
a. de diensttijd doorgebracht in dezelfde dienstverhouding na verhoging van de berekeningsgrondslag met meer dan 25% dan wel de diensttijd doorgebracht in een nieuwe dienstverhouding waarin de eerste berekeningsgrondslag meer dan 25% hoger is dan de laatstelijk vastgestelde berekeningsgrondslag, onderscheidenlijk de hoogste van de laatstelijk vastgestelde berekeningsgrondslagen, in de dienstlijn die bestond bij de aanvang van de nieuwe dienstverhouding;
b. de diensttijd doorgebracht in dezelfde dienstverhouding na verlaging van de berekeningsgrondslag met meer dan 5% dan wel de diensttijd doorgebracht in een nieuwe dienstverhouding waarin de eerste berekeningsgrondslag meer dan 5% lager is dan de laatstelijk vastgestelde berekeningsgrondslag, onderscheidenlijk de laagste van de laatstelijk vastgestelde berekeningsgrondslagen, in de dienstlijn die bestond bij de aanvang van de nieuwe dienstverhouding;
Artikel F1.4 - Het derde lid, onder b, wordt slechts toegepast op verzoek aan het bestuur, bij of na de aanvraag van het pensioen gedaan door of namens belanghebbende. Indien het verzoek is ingediend na aanvraag van het pensioen, wordt het derde lid, onder b, slechts toegepast met ingang van een tijdstip niet vroeger dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin het verzoek door het bestuur is ontvangen.

Artikel F1a.1 Wanneer diensttijd voor 1 januari 1986 samen met diensttijd tussen 31 december 1985 en
1 januari 1995 ingevolge artikel F1 één dienstlijn zou vormen, worden de diensttijden in afwijking van dat artikel beschouwd als afzonderlijke dienstlijnen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien diensttijd tussen 31 december 1995 en
1 januari 1995 samen met diensttijd na 31 december 1994 één dienstlijn zou vormen.

Artikel F3.1 - Bij de pensioenberekening telt niet mede de diensttijd waarover reeds pensioen dan wel onderstaand bij wijze van pensioen is toegekend ten laste van:
a. Nederland b. De Nederlandse Antillen of Aruba c. de Republiek Suriname d. de Republiek Indonesië

Artikel F4 1a De berekeningsgrondslag voor enig jaar in een dienstverhouding is het bedrag aan ambtelijk inkomen bedoeld in artikel C1.

Artikel F6.1 Het pensioen wordt berekend over één of meer dienstlijnen naar de middelsom van berekeningsgrondslagen voor iedere dienstlijn afzonderlijk. Indien voor een dienstlijn twee of meer middelsommen kunnen worden vastgesteld als gevolg van samenloop van dienstverhoudingen, geldt slechts de hoogste middelsom voor de gehele dienstlijn.

Artikel F6.2 De middelsom van bekeningsgrondslagen voor een dienstlijn is het gemiddelde van de op één na laatste twee berekeningsgrondslagen. Indien slechts twee berekenings-grondslagen kunnen worden vastgesteld geldt als middelsom de op één na laatste berekeningsgrondslag.

Artikel F6.3 De aldus verkregen middelsom, wordt of, indien het pensioen over meer dan een dienstlijn moet worden berekend, middelsommen worden, aangepast naar de regelen vastgesteld bij de algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel A8.

Artikel F7.1 Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen over diensttijd voor 1 januari 1986.

Artikel F7.2 Indien het pensioen over één dienstlijn wordt berekend bedraagt het jaarlijks voor elk dienstjaar, tot een maximum van 40 jaren, 1,75% van de middelsom van berekeningsgrondslagen met dien verstande dat, indien de middelsom niet hoger is dan hfl 39.660.- genoemd % 2 bedraagt over de eerste hfl 22.026. Indien de middelsom hoger is dan hfl 39.660,- bedraagt het pensioen niet minder bij toepassing van het bepaalde in de eerste volzin bij een middelsom van hfl 39.660,-. Evengenoemde bedragen worden door Ons gewijzigd bij de algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel A 8.

Artikel F7a.1 Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen over diensttijd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995.

Artikel F7a.2 Het pensioen wordt berekend over de pensioengrondslag. De pensioen-grondslag wordt gevormd door de middelsom van de berekeningsgrondslagen bedoeld in artikel F6 te verminderen met een bedrag als omschreven in het derde lid (de franchise).

Artikel F7a.3 De franchise bedoeld in het tweede lid bedraagt
a. voor de gepensioneerde ambtenaar die voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als gehuwd wordt aangemerkt 20/7 x het bedrag waarop hij volgens die wet recht gehad zou hebben
b. voor de gepensioneerde ambtenaar die voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als ongehuwd wordt aangemerkt 10/7 x het bedrag waarop hij volgens die wet recht gehad zou hebben

Artikel F7a.4 In de in het 3e lid bedoelde bedragen is mede begrepen de bruto vakantie-uitkering waarop ingevolgde de AOW recht bestaat

Artikel F7a.5 Wanneer de in het 3e lid bedoelde bedragen worden gewijzigd, wordt de pensioengrondslag herberekend

Artikel F7a.6 Indien het pensioen over een dienstlijn wordt berekend, bedraagt het jaarlijks voor elk dienstjaar tot een maximum van 40 voor pensioen tellende jaren
1,75 % van de pensioengrondslag

Artikel F7a.7 Indien over meer dan één dienstlijn pensioen wordt berekend, geschiedt dit voor elke dienstlijn afzonderlijk overeenkomstig het 6e lid. Wanneer de som van voor pensioen tellende jaren meer bedraagt dan 40, worden tot een totaal van 40 die dienstlijnen in aanmerking genomen die tezamen het hoogste pensioenbedrag opleveren.

Artikel F7aa.1 Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen over diensttijd na 31 december 1994.

Artikel F7aa.2 Het pensioen wordt berekend over de pensioengrondslag. De pensioengrondslag wordt gevormd door de middelsom van berekeningsgrondslagen, bedoeld in artikel F6, verminderd met een bedrag van fhl 26.500,-.

Artikel F7aa.3 Het in het tweede lid genoemde franchisebedrag kan door Onze Minister worden gewijzigd en nader worden vastgesteld op een veelvoud van hfl 100,- indien het bedrag van het ouderdomspensioen ingevolge de AOW voor degene die voor de toepassing van die wet als gehuwd wordt aangemerkt wijzigt

Hoofstuk G Het recht op nabestaanden- en wezenpensioen

Hoofdstuk H Blz 60 Berekening van het nabestaanden- en wezenpensioen

Artikel H1.1 Het pensioen van de nabestaande van een ambtenaar bedraagt 5/7 van het pensioen waarop de ambtenaar recht of uitzicht zou hebben gehad

Van Tot Overlijden voor 65 Overlijden Na 65
  01.01.2004 5/7 van het OP 5/7 van het OP
01.01.2004 01.01.2006 5/7 van het OP 5/14 van het OP
01.01.2006 01.01.2015 5/10 van het OP 5/14 van het OP
    Overlijden voor 67 Overlijden na 67
01.01.2015 01.01.2016 5/10 van het OP 5/10 van het OP
01.01.2016 01.01.2018 5/10 van het OP 70% van het OP
    Ongeacht moment overl. Ongeacht moment overl.
01.01.2018   70% van het OP 70% van het OP

Hoofdstuk I blz 69 Verval van pensioen

Hoofdstuk J blz 70 Samenloop van pensioen

Hoofdstuk K blz 87 De herplaatsbaar verklaarde ambtenaar

Hoofdstuk L blz 93 Het bestuur van en het toezicht op het ABP

Hoofdstuk M blz 112 Financieel Beheer

Hoofdstuk N blz 115 Bijzonder financiele bepalingen

Hoofdstuk O blz 124 Aanvraag en toekenning van pensioen

Hoofdstuk P blz 125 Geneeskundig onderzoek en revalidatie

Hoofstuk Q blz 135 Ingang en einde van de pensioenen

Hoofdstuk R blz 137 Betaling van pensioen

Hoofdstuk S blz 140 Bezwaar, beroep en herziening

Hoofdstuk T blz 144 Algmene bepalingen overgangsrecht

Hoofstuk U blz 146 Bijzonder bepalingen van overgangsrecht

Hoofstuk V blz 177 Generaal pardon. Hernieuwde gelegenheid tot inkoop van niet-ingekochte diensttijd en wachtgeldtijd

Hoofstuk W blz 184 Slotbepalingen

 

 

 

Welke overheidsinstellingen

Algemene Burgerlijke Pensioenwet

Algemene Militaire Pensioenwet
Algemene Pensioenwet politieke ambtsdragers

Pensioenwet voor de Landmacht
Pensioenwet voor de Zeemacht
Spoorwegpensioenwet


Stichting Spoorweg Pensioenfonds
Stichting Bedrijfspensioenfonds KPN

 

 

 

Terug naar: PensioenScheiden of Pensioenweetjes

Laatstelijk aangepast: 28 maart 2019